
Wist je dat Bedřich Smetana, de peetvader van de Tsjechische muziek, eigenlijk in het Duits was opgevoed? En dat hij, net zoals Beethoven, helemaal doof was toen hij zijn grootste meesterwerk componeerde? En wist je ook dat de muziek van Smetana al gauw een symbool werd van de Tsjechische volksidentiteit?
Ontdek deze en alle andere geheimen achter Bedřich Smetana en zijn symfonische gedicht Má Vlast via dit online verhaal vol muziek- en videofragmenten.
Weinig melodieën zijn zo stevig in het collectief geheugen verankerd als de melodie waarmee Bedřich Smetana ons meevoert op de golven van de Moldau. Dit symfonisch gedicht is echter niet meer dan een episode in de omvangrijke cyclus Má Vlast (Mijn Vaderland). In zes afzonderlijke symfonische gedichten schildert de peetvader van de Tsjechische muziek een veelzijdig en intrigerend beeld van het land dat zich in de 19e eeuw lostrok uit de grootmacht Oostenrijk-Hongarije. De reis begint bij de burcht Vyšehrad die hoog boven de hoofdstad Praag uittorent. Via rivieren, bossen en velden reizen we terug in de tijd. Oude legendes en historische veldslagen passeren de revue in een symfonische partituur die bulkt van de rijke klanken, opzwepende ritmes en tijdloze melodieën.
František Smetana, de vader van Bedřich, verdiende goed de kost als bierbrouwer in Bohemen. Hij werkte in de kasteelbrouwerij in Litomyšl, een landgoed dat in handen was van de familie Waldstein, bekend van de graaf aan wie Ludwig van Beethoven zijn Waldsteinsonate opdroeg. De wieg van componist Smetana stond dus in een welgestelde familie in een cultureel rijke omgeving. Muziek maakte dan ook automatisch deel uit van de algemene vorming. Vader František speelde viool in een strijkkwartet en de jonge Bedřich kreeg viool- en pianoles vanaf zijn zes jaar. Zijn schoolcarrière was een matig succes omdat al zijn tijd en energie naar muziek ging.
[ˈbɛdr̝ɪx ˈsmɛtana]
Op 23 januari 1843 schreef de toen negentienjarige Smetana in zijn dagboek:
‘Als God het belieft en met zijn hulp zal ik ooit een Liszt zijn in techniek en een Mozart in compositie.’
Smetana moest toen nog aan zijn hogere muziekopleiding beginnen en kon nog niet weten dat hij amper een jaar later oog in oog zou staan met zijn idool. Smetana bleef in contact met Liszt en ging hem regelmatig opzoeken. Zo stond hij ook in directe verbinding met de voorhoede van de progressieve Duitse muziek. Op 24 oktober 1858 schrijft hij aan Liszt:
‘Beschouw mij als uw meest gepassioneerde aanhanger van onze artistieke koers, die in woord en daad opkomt voor de heilige waarheid en zich ook inzet voor de doelstellingen ervan.’
Je luistert naar Six morceaux caractéristiques, opus 1.
Smetana stuurde deze partituur in 1848 op naar Franz Liszt met de nederige vraag of hij het werk aan hem mocht opdragen.
De werklijst van Smetana bevat vooral muziek die ergens over gaat. Hij componeerde niet minder dan acht opera’s, tal van liederen en heel wat symfonische gedichten, waarvan de bekendste zes samen Má Vlast vormen. Maar ook in de meer abstracte kamermuziek duiken titels op als Aus meinem Leben (Eerste strijkkwartet) of Aus der Heimat (stukken voor viool en piano). Verder componeerde Smetana een groot aantal karakterstukken voor piano, meestal met programmatische inslag.
Je luistert naar het begin van Aus der Heimat, voor viool en piano.
Dat we het nooit over Friedrich maar wel over Bedřich Smetana hebben, zou ons doen vergeten dat de eerste grote Tsjechische componist aanvankelijk in het Duits las, schreef en dacht. De regio waar hij opgroeide, Bohemen, was immers al sinds de 17e eeuw deel van het grote Oostenrijkse keizerrijk (vanaf 1867 Oostenrijk-Hongarije). Pas op latere leeftijd werd hij zich bewust van de Tsjechische zaak en begon hij zich te verdiepen in de taal en cultuur van de oorspronkelijke Boheemse bevolking. In 1862 schreef hij hierover in zijn dagboek, dat hij pas vanaf 1872 in het Tsjechisch zou bijhouden.
Met de pas ontwaakte ontwikkeling van onze nationaliteit is het mijn streven mijn studie van onze taal te voltooien en mijzelf uit te drukken – ik, die van jongs af aan uitsluitend gewend ben aan Duits onderwijs – met gelijk gemak, zowel mondeling als schriftelijk, in het Tsjechisch en in het Duits. Het is hoog tijd dat ik mijn dagboek voortaan in mijn moedertaal bijhoud. [...] Intussen verdiep ik mij in mijn moedertaal, die ik helaas sterk verwaarloosd heb (voornamelijk door toedoen van onze overheid en scholen), opdat ik er met gemak en juistheid in zou kunnen schrijven.
Bedřich Smetana wilde vooral carrière maken als componist en dirigent, maar dat liep niet van een leien dakje. Na een mislukte tournee richtte hij in 1848 een muziekschool op in Praag, vooral gericht op het opleiden van pianisten. In 1856 verhuisde hij naar Göteborg, na een aanbod om er les te gaan geven. Ook daar opende hij prompt een muziekschool en nam hij de leiding op over het lokale amateurmuziekgezelschap, waar al gauw zijn muziek op de pupiter terecht kwam. In 1860 overleed zijn eerste vrouw en kort daarna keerde hij terug naar Praag om er zijn kans te wagen als dirigent van het gloednieuwe muziektheater. Hij greep naast de aanstelling, maar richtte in 1863 opnieuw een muziekschool op. Uiteindelijk zou hij pas in 1866 de muzikale leiding krijgen over de nationale opera.
In zijn jonge jaren, toen hij eigenlijk voor school hoorde te werken, bracht Smetana muzikanten samen om in kwartetvorm allerlei bewerkingen te spelen van muziek die hij rond zich hoorde. Die zin voor initiatief en het opbouwen van contacten zou in zijn professioneel leven een constante worden. Hij bouwde een ruim netwerk op en maakte deel uit van tal van verenigingen, al dan niet door hem opgericht. Zo was er Měšťanská beseda, een burgerlijk sociaal genootschap, Hlahol, een mannenkoor van 120 leden dat hij van 1863 tot 1865 dirigeerde, en Umělecká beseda (afgekort UB, in het Nederlands Artistieke kring), mede door hem opgericht in 1863 om de Tsjechische kunst te bevorderen tijdens de Národní obrození (Tsjechische Wedergeboorte).
In juli 1874 merkte Smetana een fluittoon in zijn oor, het gevolg van een syfilisbesmetting. Hij werd op korte termijn helemaal doof. Net zoals Ludwig van Beethoven zijn grootste meesterwerken nooit zelf heeft kunnen horen, moest ook Smetana bij de repetities van zijn latere werken afgaan op de visuele indrukken van de muzikanten en de ervaringen die ze schriftelijk of in gebarentaal met hem konden delen. De muziek zelf heeft voor hem slechts in zijn imaginair gehoor geklonken. Dat is ook het geval voor Má Vlast, waarvan hij de laatste delen pas componeerde toen hij al helemaal doof was.
Smetana verklankte de fluittoon in zijn oren op autobiografische wijze in het vierde deel van zijn Eerste strijkkwartet. De eerste viool speelt een aanhoudende hoge mi.
Smetana had oog voor de Tsjechische taal en cultuur en integreerde die in zijn muziek, maar tegelijkertijd was hij ook duidelijk gericht op de dominante Duits-Oostenrijkse stromingen, vertegenwoordigd door Wagner en Liszt. Vooral tijdens zijn jaren in Göteborg liet Smetana zich sterk inspireren door die internationale tendensen. Het leverde hem een breed muzikaal palet op en een stevig fundament om zijn verder oeuvre op te bouwen, maar in het thuisland speelde die kosmopolitische houding niet altijd in zijn voordeel. De zoektocht naar een evenwicht tussen internationale en Tsjechische elementen zou een belangrijk aspect van zijn carrière worden.
Dat Smetana’s werk als de hoeksteen van de Tsjechische muziek wordt beschouwd, komt niet alleen door de muziek die hij schreef, maar ook door de nationalistische reflex bij het tot stand komen van de muziekgeschiedenis van de late 19e en vroege 20e eeuw. Smetana was zelf echter ook erg begaan met de ontwikkeling van een Tsjechische cultuur en nam in 1866 enthousiast en met overtuiging de leiding over het in 1862 nieuw opgerichte ‘Voorlopig Tsjechisch Theater’. Op het einde van zijn leven was hij zich erg bewust van zijn impact op het Tsjechische muziekleven:
Ik moet ernaar streven die eervolle en glorierijke positie te behouden die mijn composities mij in mijn volk en in mijn vaderland hebben verworven. – Naar mijn verdiensten en mijn inspanningen ben ik een Tsjechisch componist en de schepper van de Tsjechische stijl in de dramatische en symfonische muziek.
Het bekendste werk van Smetana, Má Vlast belichaamt perfect de combinatie van Duitse en Boheemse eigenschappen in zijn oeuvre. Het symfonisch gedicht is bij uitstek een genre van de Neudeutsche Schule, waarin zowel het vernieuwende karakter van de muziek als de mogelijkheid om verhalen te vertellen centraal stond. Doordat de onderwerpen van die verhalen bij Smetana meestal sterk verbonden zijn met de Tsjechische cultuur en het nationaliteitsgevoel, is het ook het ideale voetstuk voor de grondlegger van de Tsjechische muziek.
Je luistert naar de boerendans uit De Moldau, geïnspireerd door het Tsjechische plattelandsleven. Beluister het volledige fragment
Má Vlast is niet één compositie, maar een cyclus van zes symfonische gedichten. Samen vormen ze een muzikale schildering van de natuurpracht en de volksverhalen van Tsjechië, de jonge natiestaat die ontstond uit de regio rond Bohemen. Elk van deze zes symfonische gedichten heeft een eigen karakter en een eigen muzikale logica. Bedřich Smetana neemt zijn luisteraars mee op een sonore ontdekkingsreis die begint en eindigt bij de grote burcht in Praag, Vyšehrad. Onderweg volgen we de rivieren Moldau en Elbe, verdwalen we in de Boheemse bossen en luisteren we naar de oude volkslegendes van Šárka, Tabor en Blanik. De eerste integrale uitvoering van Má Vlast vond pas plaats op 5 november 1882.
Vyšehrad is de naam van het kasteel dat boven de Tsjechische hoofdstad uittorent. Smetana roept de koninklijke allure van deze bijzondere plek op met twee harpen die een elegante en gedistingeerde sfeer oproepen. Met wat verbeelding bevinden we ons in de troonzaal om te luisteren naar de hofzanger Lumir. Deze muziek transformeert tot een plechtige mars, vol koninklijke gratie. Smetana vermeldt zelf in de bijhorende tekst hoe de dappere ridderstand onder vrolijke klanken van cimbalen en trompetten samenkomt voor feestelijke toernooien. Na een evocatie van de bittere gevechten en de verwoesting volgt een berustende blik op de omgeving. Daar beneden zien we het water van de Moldau al rustig kabbelen.
Met twee harpen zet Smetana de toon voor de klankschildering van de oude burcht.
De manier waarop Smetana de loop van de Moldau heeft verklankt, lijkt op geen enkele manier te overtreffen. Van de grote overkoepelende spanningsboog tot de kleinste details, alles klopt. Het begin is al meteen raak. Net zoals de Moldau ontstaat vanuit twee kleine bronnen, zo ontspruit de meeslepende melodie aan twee delicate muzikale lijntjes in de dwarsfluiten. De aanhoudende stroom van snelle noten blijft gedurende de hele beweging quasi ononderbroken, net zoals het water dat door de bedding stroomt. De speelaanwijzing ondeggiante (golvend) laat er geen twijfel over bestaan.
Je luistert naar het begin van De Moldau
Eens het kabbelende water van de Moldau op snelheid is gekomen, voert de muziek ons naar verschillende taferelen. Typische hoornklanken signaleren de jacht in de bossen langs de oever, waarna we eventjes aan land gaan voor een boerenbruiloft. Dit is dan ook de enige plaats waar de snelle noten onderbroken worden en plaats maken voor Boheemse dansritmes. Verderop roepen hoge strijkersklanken en een engelachtige harp de sfeer op van maneschijn over het mistige water, waarin we de vage contouren van nimfen ontwaren. Na een woelige passage doorheen de stroomversnellingen aan Sankt-Johann (die nu niet meer bestaan door de bouw van de Štěchovice-dam), bereiken we de hoofdstad en zien we de imposante hoge burcht.
De beroemdste melodie uit Vltava is veel ouder dan het werk zelf. Het thema gaat terug op La Mantovana, een 17e-eeuwse Italiaanse liefdesballade die zich via mondelinge en muzikale overlevering over heel Europa verspreidde, met varianten tot in Polen, Roemenië en Oekraïne. De melodische contouren zijn ook sterk verwant met het Israëlische volkslied Hatikvah. In Vlaanderen werd de melodie bekend in de versie Ik zag Cecilia komen, die in de 19e eeuw erg populair was. Toen Smetana rond 1874–1879 zijn cyclus Má vlast componeerde, herkende hij wellicht de kracht van deze eenvoudige, volks aandoende melodie.
Met de allereerste klanken van het derde symfonisch gedicht, maakt Smetana duidelijk dat de idyllische natuurtocht achter ons ligt. In Šárka vertelt hij het verhaal van een vrouwelijke krijger uit vroege Tsjechische legendes. Šárka maakte deel uit van een vrouwenleger dat na de dood van Libuše, de stammoeder van het Tsjechische volk, in opstand kwam tegen de mannelijke overheersers. Libuše was trouwens ook al titel en onderwerp van een eerdere opera van Smetana. Šárka liet zich vastbinden aan een boom om zich te laten redden door de mannelijke krijgers. Ze bedankte hen met slaapdrank (Smetana gebruikt de fagot om het snurken na te bootsen), waarna ze door de vrouwen werden afgeslacht. We horen zowel vrouwelijke elegantie als listigheid in deze muziek, naast militair geweld en trompetgeschal.
Je luistert naar de turbulente openingsmaten van Šárka
Let op de fagot die uit de toon speelt als een niets vermoedende, snurkende krijger.
In het vierde gedicht weerklinken pompeuze koperklanken en vloeiende, ietwat melancholische lijnen in de strijkers en houtblazers. De atmosfeer is duister met een voelbare dreiging. Op die manier loodst Smetana zijn luisteraars de donkere bossen van Bohemen binnen. Wanneer de zon voorzichtig door het bomendek priemt, wordt de sfeer bijna pastoraal. Verrassend is een fuga die na enkele valse starts uitmondt in een prachtig koraal door de hoorns. Te midden van de ongerepte natuurpracht horen we toch de menselijke aanwezigheid, zeker wanneer het koraal bruusk wordt onderbroken door dansritmes.
Luister hier hoe het verhaal de muzikale logica dicteert in Šárka
In Tábor, deel 5, over de gelijknamige stad in het zuiden van Bohemen, keren we terug naar de 15e eeuw, wanneer de hussieten (aanhangers van de protestantse Johannes Hus) vanuit deze plek een geloofsoorlog voerden tegen de Rooms-Duitse keizer. In het licht van de Tsjechische onafhankelijkheid van Oostenrijk-Hongarije was deze pagina uit de Tsjechische geschiedenis uiteraard erg passend. Om hun vaste geloof uit te drukken koos Smetana voor de hymne Ktož jsú Boží bojovníci (Wie zijn Gods strijders?) die door de hussieten werd gezongen. Hij gebruikt deze eeuwenoude tonen als bouwstenen voor een krachtige beweging die de fierheid en onwrikbaarheid van de hussieten verklankt.
Je luistert naar de hymne Ktož jsú Boží bojovníci.
Hoor hoe Smetana deze hymne verwerkte in Tábor.
Wat meteen opvalt bij de start van het zesde en laatste gedicht Blaník, is de sterke connectie met het vorige deel. De muzikale elementen uit de 15e-eeuwse hymne van de hussieten, vormen ook hier de basis. De muziek is evenwel veel lichtvoetiger. Blaník is de naam van een berg waar de strijders konden rusten tot ze opnieuw opgeroepen werden. Smetana belicht in dit symfonische gedicht opnieuw de natuurpracht van de weides en hellingen, maar onderliggend blijft de onrust en de oorlogsdreiging wel voelbaar. Uiteindelijk voert een laatste grootse herneming van de hussietenhymne naar de finale. Op meesterlijke wijze transformeert hij het fragiele harpthema uit het eerste deel tot een bombastische klankmassa op het einde.
Je luistert naar de finale van Má Vlast.
Smetana’s Má Vlast ontstond niet in een vacuüm. De cyclus weerspiegelt de politieke en culturele context van het 19e-eeuwse Bohemen, een regio die op zoek was naar haar eigen stem binnen het grote Oostenrijk-Hongarije. Cultuur en in het bijzonder muziek waren daarbij een belangrijk vehikel.
Deze poster voor een nationale tentoonstelling in Praag in 1891 getuigt van het zelfvertrouwen en het optimisme van de Tsjechische bevolking na de turbulente 19e eeuw.
Politiek maakte Bohemen in Smetana’s tijd deel uit van het Oostenrijkse keizerrijk, waar de Duitse cultuur lange tijd overheerste. De Tsjechische nationale beweging zocht haar uitweg niet in directe confrontatie, maar in culturele emancipatie. Schrijvers, componisten en kunstenaars gaven de Tsjechische taal en cultuur opnieuw glans, zodat zij later als fundament konden dienen voor politieke ambities. Muziek werd daarbij een krachtig wapen: een symfonisch gedicht kon de ziel van een natie verklanken, zelfs wanneer de natie politiek nog geen erkenning vond.
In 1862 opende het Prozatímní divadlo (het Voorlopig Tsjechisch Theater) de deuren. Het was een tijdelijke plek voor Tsjechisch theater en opera in afwachting van een permanente nationale opera. Toch was deze plek niet van bij het begin een bolwerk van nationalistische uitingen. Buitenlandse werken van Cherubini of zelfs een Duitstalige opera van Vladimír Skuherský kregen de voorkeur boven Smetana’s eerste Tsjechische opera De Brandenburgers in Bohemen. De progressieve muzikale taal van Smetana, sterk beïnvloed door Liszt en Wagner, botste op het wantrouwen van een publiek en bestuur dat liever terugviel op het bekende.
Hoewel Smetana vanuit ons perspectief de gedroomde kandidaat leek om de nieuw opgerichte opera te gaan leiden, was het dirigent Jan Nepomuk Mayr die als eerste de touwtjes in handen kreeg. En dat was geen goed nieuws voor Smetana. Mayr was erg conservatief en gaf de voorkeur aan Italiaanse en Duitse opera’s. In een heerlijke spotprent uit 1874 zien we hoe een strijdvaardige Smetana Mayr te lijf gaat met zijn dirigeerstok. De maat ‘slaan’ krijgt zo wel een erg letterlijke betekenis! Uiteindelijk zou Smetana in 1866 de leiding van de opera overnemen.
De bouw van het definitieve Nationaal Theater in Praag (Národní divadlo) werd een krachtig symbool van het Tsjechische nationalisme. Het theater werd volledig gefinancierd door Tsjechische giften, wat het gevoel van een eigen cultuur nog versterkte. Toen in mei 1868 de eerste stenen werden gelegd, groeide dit uit tot een van de grootste nationale manifestaties van de Tsjechische Wedergeboorte. Boven de zaal prijkt de spreuk ‘Národ sobě’ (De natie aan zichzelf), een tastbaar bewijs van culturele zelfstandigheid en een bron van trots voor het hele volk.
Muziekcritici en nationalisten stellen Smetana wel eens voor als de vader van de ‘Tsjechische school’, met Antonín Dvořák als zijn belangrijkste volgeling. Door componisten in een nationale traditie in te bedden, kreeg Tsjechië een muzikale legitimiteit tegenover de Duitse en Oostenrijkse grootmachten. Zeker in de laat-19e-eeuwse muziekgeschiedschrijving was dit een belangrijk thema. Dit narratief verhult echter hoe internationaal hun invloeden waren. Ook was er van een echte ‘school’ geen sprake omdat Smetana nooit compositieles gaf. Dat betekent echter niet dat hij geen invloed had op latere componisten. Zijn rijke oeuvre liet zien dat de Tsjechische taal en cultuur zich evengoed leenden voor de grote klassieke vormen.
De Slavische Dansen van Antonín Dvořák zijn schatplichtig aan Smetana en diens gebruik van volksmuziek.
Má Vlast is verzameling van zes symfonische gedichten. In een symfonisch gedicht volgt de componist een concreet verhaal of tafereel. Het verloop van de muziek wordt dus niet gedicteerd door rigide vormschema’s of tradities, zoals bij de symfonie het geval is. Hier volgt de muziek een concreet narratief, dat ook wordt meegedeeld met het publiek. Vooral natuurpracht en oude verhalen en legendes doen het goed als onderwerpen. Smetana leerde het genre kennen bij Franz Liszt en Hector Berlioz.
Je luistert naar het tweede deel (Un bal) uit de Symphonie Fantastique van Hector Berlioz. Smetana was erg onder de indruk toen Berlioz dit werk dirigeerde in Praag in 1846.
De 19e eeuw kende een groeiende fascinatie voor natuur en ongerepte landschappen, een duidelijke reactie op de snelle verstedelijking en industrialisering. Rivieren, bossen en kastelen werden niet alleen romantisch bezongen, maar ook gezien als ‘bezielde’ elementen van het vaderland. Sommige plaatsen werden ook sterk verbonden met lokale legendes en oude verhalen, waardoor ze een haast heilig karakter kregen. Smetana’s Má Vlast sluit aan bij deze romantische tijdsgeest.
De romantiek en de industriële moderniteit brachten een nieuwe waardering voor rivieren. Stromen als de Rijn of de Moldau kregen een bijna mythische status: ze werden bezongen als levensaders van een natie. Dat was in onze contreien trouwens niet anders. In 1867 componeerde Peter Benoit zijn oratorium De Schelde. In 1875, ongeveer gelijktijdig met Smetana’s Moldau, wijdde hij een cantate aan de Leie, de rivier die door zijn geboortestad Harelbeke stroomt.
Je luistert naar De Schelde van Peter Benoit.